| Premisse |
uitgangspunt in een redenering |
| Conclusie |
gevolg dat uit premissen volgt |
| Syllogisme |
redenering met twee premissen en een conclusie |
| Valide |
als premissen waar zijn, móét conclusie waar zijn |
| Sound |
valide én met ware premissen |
| Deductie |
van algemeen naar specifiek redeneren |
| Inductie |
van specifieke voorbeelden naar algemeen |
| Drogreden |
foutieve redenering die overtuigend lijkt |
| Ad hominem |
persoon aanvallen in plaats van het argument |
| Stroman |
argument verdraaien om makkelijker aan te vallen |
| Cirkelredenering |
conclusie zit al in de premisse |
| Vals dilemma |
doen alsof er maar twee opties zijn |
| Hellend vlak |
als A gebeurt, dan volgt er een ramp (zonder bewijs) |
| Argumentum ad populum |
iets is waar omdat veel mensen het geloven |
| Argumentum ad ignorantiam |
beroep op onwetendheid als bewijs |
| Modus ponens |
als P dan Q; P; dus Q |
| Modus tollens |
als P dan Q; niet Q; dus niet P |
| Tegenspraak |
P en niet-P kunnen niet beide waar zijn |