Lets voor reizigers en taalliefhebbers.
Hallo en doei zeggen in het Lets (A1).
Beleefde woorden in het Lets (A1).
Veelvoorkomende beroepen in het Lets (A1).
Bezittelijke voornaamwoorden in het Lets (A1-A2).
Veelvoorkomende bijvoeglijke naamwoorden in het Lets (A2).
De Letse getallen van 1 tot 20 voor beginners (A1).
Tientallen en samengestelde getallen tot 100 in het Lets (A1).
De zeven dagen van de week in het Lets (A1).
Dieren op de boerderij in het Lets (A1).
Wilde dieren in het Lets (A1).
Bij de dokter en in het ziekenhuis in het Lets (A2).
EHBO-basiswoorden in het Lets (A2-B1).
Gevoelens uitdrukken in het Lets (A2).
Basiswoorden voor eten en drinken in het Lets (A1).
Familieleden in het Lets (A1).
Soorten fruit in het Lets (A1).
Groentes in het Lets (A1).
Veelvoorkomende hobby's in het Lets (A2).
Het huis en de kamers in het Lets (A1).
Digitale woorden in het Lets (A2).
Kledingstukken in het Lets (A1).
De basiskleuren in het Lets (A1).
Nationaliteiten in het Lets (A2). NB: -ietis = mannelijk, -iete = vrouwelijk.
De belangrijkste lichaamsdelen in het Lets (A1).
De twaalf maanden in het Lets (A1).
Muziekinstrumenten en -woorden in het Lets (A2).
Natuur-landschapswoorden in het Lets (A2).
Bestellen en eten in het restaurant in het Lets (A2).
Schoolvoorwerpen in het Lets (A1).
Seizoenen en natuurwoorden in het Lets (A1).
Sporten in het Lets (A2).
Plaatsen in de stad in het Lets (A1).
Woorden voor op het strand in het Lets (A2).
Tegengestelde bijvoeglijke naamwoorden in het Lets (A1-A2).
Telefoon en post in het Lets (A2).
Hoe laat is het? Tijd vertellen in het Lets (A1-A2).
Tijdwoorden zoals vandaag en gisteren in het Lets (A1-A2).
Nuttige zinnen voor reizigers in het Lets (A2).
Vakantiewoorden in het Lets (A2).
Schoolvakken in het Lets (A2).
Vervoermiddelen in het Lets (A1).
Vliegveld-woorden in het Lets (A2).
Persoonlijke voornaamwoorden in het Lets (A1).
Veelgebruikte voorzetsels in het Lets (A2).
Vraagwoorden in het Lets (A1).
Het weer beschrijven in het Lets (A1).
Werkwoorden voor beweging in het Lets (A1-A2).
Werkwoorden voor dagelijkse handelingen in het Lets (A1-A2).
De werkwoorden būt (zijn) en hebben in het Lets (A1-A2). NB: Lets gebruikt "man ir" voor "ik heb".
Boodschappen doen in het Lets (A2).