Fins voor de avontuurlijke leerder.
Hallo zeggen en gedag zeggen in het Fins, niveau A1.
Beleefde woorden en uitdrukkingen in het Fins, niveau A1.
Veelvoorkomende beroepen in het Fins, niveau A1.
Bezittelijke voornaamwoorden in het Fins. Vaak ook achtervoegsels op het zelfstandig naamwoord, niveau A1.
Basis bijvoeglijke naamwoorden in het Fins, niveau A1.
Eerste Finse cijfers van 1 tot 20, niveau A1.
Tientallen en voorbeelden tussen 21 en 100, niveau A1.
De zeven dagen van de week in het Fins, niveau A1.
Dieren op de boerderij in het Fins, niveau A1.
Wilde dieren in het Fins, niveau A1.
Woorden voor bij de dokter in het Fins, niveau A1.
Eerste hulp woorden in het Fins (noodnummer in Finland: 112), niveau A1.
Emoties en gevoelens in het Fins, niveau A1.
Algemene woorden voor eten en drinken, niveau A1.
Familieleden in het Fins, niveau A1.
Veelvoorkomende fruitsoorten in het Fins, niveau A1.
Veelvoorkomende groenten in het Fins, niveau A1.
Hobby's en vrijetijdsbestedingen in het Fins, niveau A1.
Het huis en de kamers in het Fins, niveau A1.
Digitale woorden in het Fins, niveau A1.
Kledingstukken in het Fins, niveau A1.
Basiskleuren in het Fins, niveau A1.
Nationaliteiten in het Fins (worden klein geschreven, eindigen op -lainen / -läinen), niveau A1.
Lichaamsdelen in het Fins, niveau A1.
De twaalf maanden in het Fins, alle eindigen op -kuu (maand), niveau A1.
Muziekinstrumenten en muziekbegrippen in het Fins, niveau A1.
Woorden uit het Finse landschap (Fins land van duizend meren), niveau A1.
Woorden voor in het restaurant in het Fins, niveau A1.
Voorwerpen die je op school gebruikt, niveau A1.
Seizoenen en basiswoorden uit de natuur, niveau A1.
Veelvoorkomende sporten in het Fins, niveau A1.
Plekken in de stad in het Fins, niveau A1.
Woorden voor een dagje strand in het Fins, niveau A1.
Tegengestelde bijvoeglijke naamwoorden in het Fins, niveau A1.
Woorden voor telefoon en post in het Fins, niveau A1.
Hoe je de tijd zegt in het Fins (let op: puoli kaksi = half twee = 1:30), niveau A1.
Tijdsuitdrukkingen zoals vandaag, gisteren en morgen in het Fins, niveau A1.
Handige zinnen voor beginners in het Fins, niveau A1.
Woorden voor op reis in het Fins, niveau A1.
Vakken op school in het Fins, niveau A1.
Vervoermiddelen in het Fins, niveau A1.
Woorden voor op het vliegveld in het Fins, niveau A1.
Persoonlijke voornaamwoorden in het Fins. Hän is genderneutraal (hij én zij), niveau A1.
Plaatsbepalingen in het Fins (let op: vaak achterzetsel in plaats van voorzetsel), niveau A1.
Vraagwoorden in het Fins, niveau A1.
Het weer beschrijven in het Fins, niveau A1.
Bewegingswerkwoorden in het Fins (infinitief), niveau A1.
Veelgebruikte werkwoorden voor dagelijkse handelingen (infinitief), niveau A1.
Het werkwoord olla (zijn) en de bezitsconstructie -lla on (hebben). Fins kent geen apart werkwoord voor "hebben", niveau A1.
Woorden voor in de supermarkt of winkel in het Fins, niveau A1.