| handen schudden |
hand geven om elkaar te begroeten |
| drie zoenen |
drie kusjes op de wang bij goede bekenden |
| op tijd komen |
precies op de afgesproken tijd zijn, belangrijk in NL |
| agenda bijhouden |
afspraken opschrijven, ook voor visite |
| afspraak maken |
eerst bellen of appen voor je langskomt |
| fietsen |
iedereen in Nederland gebruikt de fiets |
| direct zijn |
eerlijk en duidelijk zeggen wat je denkt |
| tutoyeren |
iemand met "je" aanspreken, informeel |
| u zeggen |
beleefde aanspreekvorm voor onbekenden of ouderen |
| rij staan |
netjes achter elkaar wachten bij de kassa |
| lunch |
meestal koud, brood met kaas of pindakaas |
| borrel |
na het werk samen iets drinken |
| verjaardag |
iedereen feliciteren, ook de familie van de jarige |
| kaartje sturen |
felicitatie of bedankje per post sturen |
| regen |
in NL regent het veel, je hebt altijd een jas mee |
| gezelligheid |
fijn gevoel samen, typisch Nederlands woord |
| kopje koffie |
vaak aangeboden bij visite, soms met één koekje |