| Vraag | Antwoord |
|---|---|
| hij werk of werkt? | werkt |
| ik antwoord of antwoordt? | antwoord |
| jij vindt of vind? | vindt |
| vind jij of vindt jij? | vind jij |
| hij heeft gewerkt of gewerktt? | gewerkt |
| het is gebeurd of gebeurt? | gebeurd |
| dat gebeurt nu of gebeurd nu? | gebeurt |
| hij wordt of word? | wordt |
| ik word of wordt? | word |
| zij heeft geantwoord of geantwoordt? | geantwoord |
| hij rijdt of rijd? | rijdt |
| ik rij of rijdt? | rij |
| hij heeft gefietst of gefiest? | gefietst |
| hij heeft gebeld of gebelt? | gebeld |
| hij heeft geleefd of geleeft? | geleefd |