iw Ik wil woordjes leren

✍️ Nederlands: dt-regel werkwoorden

Welke vorm is correct? Oefen het kofschip en de dt-regel. Voor groep 7-8 en brugklas.

Gratis account (voortgang opslaan)
Nederlands: dt-regel werkwoorden — 15 woordjes
Vraag Antwoord
hij werk of werkt? werkt
ik antwoord of antwoordt? antwoord
jij vindt of vind? vindt
vind jij of vindt jij? vind jij
hij heeft gewerkt of gewerktt? gewerkt
het is gebeurd of gebeurt? gebeurd
dat gebeurt nu of gebeurd nu? gebeurt
hij wordt of word? wordt
ik word of wordt? word
zij heeft geantwoord of geantwoordt? geantwoord
hij rijdt of rijd? rijdt
ik rij of rijdt? rij
hij heeft gefietst of gefiest? gefietst
hij heeft gebeld of gebelt? gebeld
hij heeft geleefd of geleeft? geleefd

Meer in Nederlands